Verslagen van studiedagen
“Conversatie en dialoog: De creatieve kracht van de dialoog”.
Studiedag met Harlene Anderson, 12 maart 2010, Universitair Centrum KULeuven - Campus Kortenberg, België. Georganiseerd door de Belgische Vereniging voor Relatie-, Gezinstherapie en Systeeminterventie v.z.w.( BVRGS) en de Vrije Universiteit Brussel.
Een studiedag is voor mij een beetje zoals een receptie. Het is een weerzien van oude bekenden en een kennismaking met nieuwe gezichten. Ik kom er proeven van ideeën en ervaringen en bedenkingen uitwisselen. Ik keer vaak met winst naar huis: een boeiend gesprek, een nieuw contact, een prikkelende uitspraak, een kritische vraag, een handvat voor mijn therapiekamer. Laatst was ik - samen met een volle zaal collega’s systeemtherapeuten - te gast op een studiedag met Harlene Anderson. Deze keer nam ik na afloop een warme aanmoediging mee: “Gedraag je als een goede gastvrouw in je therapiekamer en als een gast in het leven van je cliënten”.
Andersons persoonlijke manier van zijn in therapie is er één van warme ontvankelijkheid en gastvrijheid. Net als andere postmoderne systeemtherapeuten predikt deze moeder van de “collaborative therapy” een filosofische houding van not-knowing. Zo probeert Anderson af te zien van vooraf gevormde kennis en waarheden (bv. over wat goed zou zijn voor cliënten) en laat zij deze in het hier-en-nu ontplooien in een gesprek met haar cliënten. Volgens Anderson weerspiegelt onze therapeutische expertise zich in het op gang brengen van een proces waarbinnen cliënten aangesproken worden in hun expertise en veerkracht om zo hun gevoel van controle over hun problemen aan te sterken. Binnen deze relationele verhouding nodigen de therapeut en de cliënten elkaar uit om te delen en te leren (mutually inquiring partnership). Een belangrijke vuistregel hierbij is: “Vertel me wat jij denkt dat ik zou moeten weten”. Een voortdurend bijstellen van de wijze van bij elkaar zijn (withness) beïnvloedt dan het verloop van het gesprek en vice versa. Deze vorm van samenwerken daagt gesprekspartners uit om met zichzelf en met elkaar te spreken op een manier die ze tot nog toe niet konden of mochten ervaren.
Als aperitief bood onze gastvrouw allerlei hapjes uit haar therapeutische keuken aan. Zo belichtte Anderson de voornaamste basisassumpties van collaboratief samenwerken aan de hand van werkmetaforen. De werkmetafoor van gastheer/gast te zijn bij onze cliënten prikkelde mijn verbeelding: “Heb goede manieren! Wees niet intrusief en wacht op een uitnodiging om binnen te treden in het leven van je cliënten”. Mijn gedachten dwaalden af naar mijn gesprekskamer. Zo hoorde ik Anderson zeggen dat “wij als therapeuten niet graag zouden hebben dat cliënten zomaar – zonder vragen - in onze koelkast of apothekerskastje komen neuzen als ze bij ons te gast zouden zijn!” Ik troostte mezelf snel met de gedachte dat ik me doorgaans netjes gedraag als ik ergens te gast ben. Tegelijk besefte ik dat wij therapeuten er wel eens te snel van uit gaan dat cliënten ons het mandaat hebben gegeven om bij hen binnen te kijken. Plots overviel me het gevoel van schaamte dat ik onlangs had toen mijn cliënt me spreekwoordelijk terug floot op het moment waarop ik probeerde te peilen naar zijn beleving van hun seksuele relatie. Deze boodschap heeft me eraan herinnerd dat het erkennen en zorgzaam hanteren van spreekaarzeling of goede redenen om bepaalde zaken (nog) niet te onthullen, belangrijk kan zijn voor het ontplooien van een goede werkrelatie. Bij andere werkmetaforen als the storyball (de therapeut beschouwt het verhaal van cliënten als een geschenk, een bal die zich binnen hun narratief moet ontrollen) en being public (de therapeut deelt zijn innerlijke gesprekken over de therapie en cliënten) legde Anderson naar mijn gevoel een nogal eenzijdige nadruk op ontvankelijkheid en generositeit vanwege de therapeut.
Tijdens de daarop volgende discussierondjes met collega’s (peer orchastrated discussions) borrelde volgende vraag op: “Hoe onvoorwaardelijk is onze aanvaarding als therapeut?” De de stelling dat collaboratieve therapeuten mogelijke vormen van hiërarchie (i.c. dichotomie leek/expert) trachten te overstijgen, werd met gemor onthaald. Enkele reflecties uit de zaal dikten mijn hongergevoel aan: “Hoe dan een gesprek voeren met minder verbale of niet gemotiveerde cliënten? Welke ruimte kan er zijn voor (paradoxale) technieken?” Zo werden ook de plaats - en de noodzaak? - van directiviteit en expertise, confrontatie en ontregeling binnen een collaboratieve aanpak meermaals in vraag gesteld: “Hoe toereikend is deze filosofische basishouding van non-expertise in een dialoog met cliënten die aandringen op een advies of medische diagnose? En wat met het (moeten) bewaken en behalen van taakgerichte doelen”? Andersons warme onthaal van deze vragen en bemerkingen bracht naar mijn aanvoelen echter weinig concreet soelaas.
Tegen het einde van de voormiddag voelde ik de behoefte aan actie opkomen. Het vooruitzicht van het hoofdgerecht, een live “collaborative” consult met een koppel, deed me watertanden. Relatie- en gezinstherapeut Peter Lenaerts verdient respect voor de dapperheid waarmee hij de namiddag opende en zijn worstelingen met een eigen casus deelde met het publiek. Anderson en Lenaerts zouden het koppel (gespeeld door ingehuurde acteurs) vervolgens samen ontvangen in een geïmproviseerde consultatieruimte op het podium. Het rollenspel moest jammer genoeg inboeten aan geloofwaardigheid gezien de acteurs een nogal overdreven karikatuur neerzetten van cliënten (met ADHD) en een taalbarrière storend werkte. Concrete illustraties van de eigenheid van Andersons aanpak werden naar mijn aanvoelen bovendien weinig transparant. Opvallend - en schijnbaar in contradictie met de uitgangspunten van de voormiddag - vond ik hoe de ontmoeting met dit koppel leek te worden bemoeilijkt door twee neigingen: het herhaaldelijk inbrengen van therapeutische kennis (i.c. “laat ons spreken over jullie diagnose”) en het onvoldoende valoriseren van kennis en boodschappen vanwege de cliënten (i.c. “wij zijn meer dan onze diagnose”). Daarnaast voelde ik bij mezelf als toeschouwer – en stille co-therapeut – verwondering opkomen over de geringe erkenning die leek uit te gaan naar de hier-en-nu interactie en (non-verbale) communicatie binnen het koppel.
De dag werd afgesloten met een dessert van reflecties en blikken naar de toekomst. Hierbij stond de toenemende tendens van werken met de veerkracht van gezinnen, opnieuw centraal. Hoe waardevol en aanmoedigend deze reflecties ook waren, Anderson heeft mij doorheen de dag onvoldoende kunnen overhalen dat collaboratief samenwerken een concrete meerwaarde kan bieden wanneer er ook (medische, juridische, familiale) “druk” om de hoek loert. Ik ben haar desalniettemin dankbaar voor de herinnering aan de nederigheid die wij als “zielenkijkers” aan de dag moeten blijven leggen.
Barbara Lavrysen