Handboek Systeemtherapie
Savenije, A., van Lawick, M.J., &. Reijmers, E.T.M. (red.) (2008)
Handboek Systeemtherapie.
Utrecht: de Tijdstroom.
Het ‘Handboek Systeemtherapie' heeft een stevige oranjebruine kaft, een heldere titel en werd gerealiseerd door 3 hoofdredacteuren en 74 auteurs die bijna allemaal afkomstig zijn uit Nederland en Vlaanderen. Het boek, bestaande uit 12 delen met 63 hoofdstukken, beslaat in totaal 729 bladzijden aan systemisch inspirerend materiaal.
Na de inhoudsopgave te hebben doorsnuffeld, vreesde ik even voor een fragmentarische en encyclopedische opsomming. De hoofdstukken zijn immers vrij kort maar blijken bij nader onderzoek to-the-point, en de meesten doen dit zonder in te boeten aan diepgang.
De eerste vijf theoretische delen beschrijven een state-of-the-art van het systeemtherapeutisch denken. De hoofdstukken over de geschiedenis van het vak systeemtherapie verhelderen de evolutie van systeemtherapie van cybernetisch begrip, met een harde wetenschappelijke fundering, naar de tweede-orde- cybernetica, die afstand neemt van het mechanistisch denken over systemen. Er wordt ingegaan op de positie van de therapeut die doorheen de jaren zijn neutraliteit verliest en een postmoderne nieuwsgierige deelnemer wordt van de gezinstherapeutische dialoog. De verhalen over het verleden doen me zin krijgen om onze pioniers zoals ondermeer Haley, Minuchin en Satir aan het werk te zien.
Het deel ‘Geschiedenis' wordt gevolgd door een deel ‘Sociale context' waar gekeken wordt naar het gezin als maatschappelijke entiteit. Voor de nieuwelingen in het systeemtherapeutisch denken biedt het deel ‘Begrippen en methodiek' een praktische inleiding in de algemeen gehanteerde systeemtherapeutische begrippen en technieken.
In het deel ‘Onderzoek' wordt een overzicht gegeven van een stand van zaken met betrekking tot het empirisch onderzoek naar gezinstherapie. De nood aan onderzoek wordt onderstreept, maar gelukkig gebeurt dit genuanceerd: in de verschillende hoofdstukken wordt rekening gehouden met de knelpunten die de nood aan evidence-based werken met zich meebrengt. Opmerkelijk is de slotbeschouwing van Lange in zijn bijdrage ‘Onderzoek: een overzicht'. Het wetenschappelijk onderzoek naar gezinstherapie is ingewikkeld omdat het voor gezinstherapie niet evident is om een gedetailleerd protocol te genereren. Niet iedereen is voorstander van het gebruik van RCT's (randomised controlled trial). Lange benadrukt echter dat gezinstherapeuten zich niet moeten verschuilen achter de beperkingen van RCT's. In dit kader wordt door sommige auteurs (Duncan e.a.) gepleit voor een ‘practice based evidence' in plaats van een ‘evidence based practice'. Naturalistische studies, met herhaalde metingen en met rechtstreekse feedback tussen cliënten en therapeut, vormen een soort actie-onderzoek en kunnen gerichte hypotheses opleveren, die op hun beurt in RCT's getoetst kunnen worden. Interessant is het advies van Lange om te streven naar een stepped-care benadering door gezinsleden bij de diagnostische fase te betrekken en per sessie te evalueren wie er bij de behandeling nodig is.
Het feit dat onderzoek in gezinstherapie complex is, heeft meerdere redenen. Eén daarvan is dat de betekenis van wat ‘werkelijkheid' is, subjectiever is geworden en dus moeilijker meetbaar. Binnen het hedendaagse sociaal constructionisme wordt ‘werkelijkheid' beschouwd als iets dat tussen mensen wordt gecreëerd. De therapeut is geen neutrale waarnemer meer en wordt niet meer als externe alwetende observator beschouwd.
Deze verschuiving heeft gevolgen voor de systemische stromingen of wat men nu ‘perspectieven' noemt (deel 5). Een aantal perspectieven, die reeds beschreven werden in het vorige ‘Handboek Gezinstherapie' (1991), krijgen opnieuw aandacht en andere moeten plaats ruimen voor recentere benaderingen. Waar in het Handboek Gezinstherapie nog veel aandacht gaat naar de strategische stroming, de cybernetische stroming, de contextuele therapie, de structurele stroming en de experiëntiële therapieën, overleven enkel de laatste twee de test-of-time in het huidige handboek. De contextuele therapie van Boszormenyi-Nagy haalde het evenmin. Terwijl die in het voorgaande boek nog uitgebreid besproken werd en toch net een belangrijke inspiratiebron was voor enkele nieuwelingen zoals het gezinsontwikkelingsperspectief en het hechtingsperspectief.
Over de vijf theoretische delen kan ik algemeen zeggen dat ze vlot en kernachtig geschreven zijn. Hoewel sommige aspecten uiteraard terugkeren, is er geen nodeloze overlap en herhaling. Ieder hoofdstuk kan apart gelezen worden maar als onderdeel van een samenhangend geheel. Dit geldt trouwens ook voor de rest van het boek.
Het postmodernisme en sociaal constructionisme hebben ook gevolgen voor het ethisch handelen, de behandelcontext, de persoon van de therapeut en de taxatie (diagnostiek). Deze worden besproken in deel 6 ‘Praktijkreflecties'. Het ethisch handelen is minder duidelijk geworden. Er is geen neutrale waarnemer meer en de vraag ‘wat is goed leven?' is een vraag die zich realiseert in dialoog. Ook diagnostiek krijgt een betekenis die verderaf ligt van het louter verwerven van puur ‘objectieve' kennis en het benoemen van feiten en ziekte. Reijmers schrijft in haar bijdrage ‘Taxatie als interventie' over diagnosevorming als een dynamisch afstemmingsproces tussen cliënten, hulpverleners en hun context. "Niet de diagnoses die ‘waar' zijn, maar enkel de diagnoses die bijdragen aan het veranderingsproces zijn therapeutisch bruikbaar." (p. 287).
Wat doe je met deze postmoderne kaders in de naakte en complexe werkelijkheid van bekvechtende koppels, lastige kleuters, een suïcidale puber of ‘patchwork'-gezinnen? De volgende ‘praktische' delen behandelen stuk voor stuk systeemtherapeutische interventies in de complexe context van paren, families, groepen, crisis en problemen.
Theorie en praktijk komen alvast samen in de delen 7 en 8, over therapie respectievelijk met paren en met families. Uit het deel ‘Therapie met paren' haal ik 3 inspirerende modellen: transgenerationele relatietherapie, directieve relatietherapie en emotionally focused therapie. In de andere hoofdstukken is er aandacht voor de hedendaagse realiteit van biculturele paren, homoparen en het thema seksualiteit.
Deel 8 over ‘Therapie met families' focust zich op diverse interpersoonlijke relaties die relevant zijn in familietherapie. Zo komen de ouder-kind relatie, de therapeut-ouder relatie, de therapeut-kind en de therapeut - oudere cliënt relatie in de verschillende hoofdstukken aan bod. Een bijdrage van Edith Ostyn-Tilmans over de stem van de broers en de zussen was hier op zijn plaats geweest. In haar boek ‘De potentiële kracht van broer-zusrelaties' samen met Muriel Meynckens-Fourez (2008) schreef zij recent nog over de siblingrelatie als blinde vlek in de hulpverlening. Dat laatste is bij deze toch weer bevestigd.
De delen 9 en 10, ‘Reflecties op settingen' en ‘Groepstherapie' gaan in op verschillende constellaties die in systeemtherapie mogelijk zijn. Je kan als systeemtherapeut ervoor kiezen om je cliënt alleen te zien of je kiest ervoor om hem/haar samen te zien met partner, moeder, vader en/of kind. Tenslotte kun je middels familiegroepstherapie zelfs verschillende systemen tegelijk zien door ze gelijktijdig uit te nodigen in groep. Door eigen ervaring ben ik bevooroordeeld. Als je enkele gezinnen in therapieverband bij elkaar zet, gebeuren er veel interessante dingen tegelijk en daarom beschouw ik deze manier van werken als het neusje van de zalm wat systemisch werken betreft.
De complexiteit van de systemische werkelijkheid komt pas echt tot uiting in deel 11, ‘Systemen onder druk', dat gaat over problemen waar systemen mee te kampen kunnen hebben. Ondanks het feit dat de meeste hoofdstukken een degelijke theoretische onderbouw hebben, lijkt me dit deel eerder pragmatisch opgevat. In totaal krijg je wel twintig verschillende onderwerpen voorgeschoteld: partnerscheiding, sociale marginalisering, vluchtelingen, geweld, ernstige ziekte, persoonlijkheidsstoornissen, zijn slechts een greep uit de talrijke thema's. De meeste hoofdstukken geven vanuit de gekozen invalshoek een voorzet om met een bepaald probleemgebied alvast aan de slag te kunnen gaan en voor wie dit smaakt naar meer, kan de literatuurlijst achteraan soelaas bieden. Toch is het praktijkgedeelte, zoals ik wat vreesde, door de diversiteit aan onderwerpen wat te gefragmenteerd.
Tenslotte wordt het handboek systeemtherapie afgerond met een aantal extra toepassingsgebieden van de systeemtherapie. Hier worstel ik toch even met de Nederlandse terminologie: nader onderzoek leert mij dat ‘consultatie' verwijst naar ‘supervisie' en dat met ‘mediation' ‘bemiddeling' bedoeld wordt.
Als ik een suggestie mag doen voor een volgende editie, zou ik het praktijkdeel inkorten en een deel uitwerken over de training en het leerproces van systeem-therapeuten en eventueel ook een hoofdstuk over een systeemtherapeutische intervisiegroep toevoegen. De opbouw van het boek blijft algemeen sterk: er is een goed evenwicht tussen theorie en praktijk, het biedt een algemeen en recent overzicht van wat er in het vakgebied systeemtherapie gebeurt op vlak van theorie, onderzoek en klinische praktijk en hiermee biedt het ook aangrijpingspunten voor systeemtherapeuten in opleiding. Mijn conclusie is daarom dat dit boek beter niet kan ontbreken op de boekenplank van systeemtherapeuten. Daarnaast is het ook een aanrader voor andere geïnteresseerde hulpverleners.
Lies Depestele
Literatuur
Hendrickx, J., Boeckhorst, F., Compernolle, T. & Van der Pas, A. (red.),(1984). Handboek Gezinstherapie, Deventer, Van Loghum Slaterus.
Tilmans-Ostyn, E. & Meynkens-Fourez, M., (2008). De potentiële kracht van broer-zusrelaties, Leuven, Lannoo Campus.